+32 (0)10 24 80 69 - info@echoscommunication.org

Ontwikkelingsdebat “Humanitaire hulp en ontwikkelingshulp: Living apart together?”

Ontwikkelingsdebat “Humanitaire hulp en ontwikkelingshulp: Living apart together?”

Ontwikkelingsdebat “Humanitaire hulp en ontwikkelingshulp: Living apart together?

Een neerslag van het gesprek

Door Sylvie Walraevens, n’GO Magazine

Hoe moeten ontwikkelingssamenwerking (OS) en humanitaire hulp (HH) zich tot elkaar verhouden? Kunnen ze een gemeenschappelijke agenda bespelen? Moeten crisishulp en ontwikkeling naadloos in elkaar overgaan? Het is een oud, maar springlevend debat, bovendien razend actueel door oorlogen in het Midden-Oosten, hongersnood in Afrika én schrijnende armoede binnen de Europese grenzen. Een volle zaal ontwikkelings- en humanitaire actoren vond op 16 mei de weg naar het Ontwikkelingsdebat, dat 4 deskundigen in dialoog bracht over de hamvraag. Schoven aan tafel: Bruno Cordier (Vakgroep Conflict- en Ontwikkelingsstudies UGent), Mit Philips (hoofd Health Policy AZG), Jeroen Carrin (Head of Humanitarian Aid Rode Kruis Vlaanderen), Peter Van Acker (Directeur Humanitaire Hulp en Transitie, DGD)

De roep om nauwere samenwerking klinkt het luidst in het OS-kamp. Zij zien door het toenemende aantal crisissen hun middelen steeds schaarser worden, als waren het communicerende vaten: meer HH is minder OS. Vele HH-actoren staan echter weigerachtig tegenover een al te nauwe aansluiting, in de eerste plaats om hun politieke onafhankelijkheid te vrijwaren. Is een nexus (samensmelting) tussen HH en OS de juiste aanpak?

De knuppel in het hoenderhok: nexus door Bruno Cordier

HH en OS als een scheiding tussen crisis-en duurzame hulp voorstellen doet de realiteit geweld aan, stelt Bruno Cordier. In de praktijk is de scheidingslijn eerder een grijze zone omdat vele organisaties actief zijn in beide hulpvormen. Nadat ze eerst vanuit een kortetermijnoptiek noodhulp hebben geboden, werken ze ook langetermijnprogramma’s uit. Bovendien zorgen opeenvolgende crisissen ervoor dat instellingen voor langere termijn worden opgebouwd om zo de rampenparaatheid te kunnen verzekeren.

Bruno Cordier wijst er vervolgens op dat HH in de praktijk steeds vanuit een ideologisch of cultureel kader opereert. De DAC-landen leveren 80% van de fondsen. Zij hebben door hun economische capaciteit een leidende rol opgenomen, ook wat de principes betreft. Dat feitelijke ideologische kader vormt meer dan eens de inzet van verzet door tegenstanders. De VS, die expliciet vanuit een politieke ethiek en een duidelijk afgelijnd waardenkader opereren, staan bijvoorbeeld in fel contrast met China, dat omwille van zijn ethische low-profilehouding nooit een proactieve donor zal worden.

Het aandeel van de DAC-groep is echter krimpend. Toenemende veiligheidsrisco’s doen de vrijgevigheid dalen, terwijl de overheden van sommige ontvangstlanden een grotere assertiviteit aan de dag leggen en alternatieve vormen van hulp zoeken. Privéfondsen, maar ook opkomende donoren met een ander waardenkader, zoals moslimorganisaties, eisen hun plaats op. Ook uit de arbeidsmigratie vloeien steeds meer gelden naar noodlijdende landen en in die landen zelf grijpen middengroepen en financiële elites vaker naar de beurs.

Het belang van de culturele en ideologische factor stijgt in een sterk geïnternationaliseerde sector, wat de kansen op botsing aanzienlijk vergroot, aldus Cordier. De breuklijn tussen universalisme, dat algemene beginselen zoals mensenrechten als universeel ziet, en particularisme, dat die universaliteit aanvecht, neemt toe. Het humanitaire landschap zal onvermijdelijk langs die breuklijnen herverkaveld worden, denkt Cordier.

Tot slot: de Wereldbank en de VN werken aan een rapport over conflictpreventie. Voor het eerst wordt het belang van contextanalyse voor HH in deze mate erkend. Wie een humanitaire actie opzet, moet de lokale actoren en hun agenda kennen. Humanitaire hulp en politieke context kunnen niet gescheiden worden, rondt Cordier zijn betoog af.

Nexus? Drie meningen, drie modi operandi

Drie actoren in HH lieten hun licht schijnen op de visie van Bruno Cordier.

DGD met Peter Van Acker

De financiële stromen tussen HH en OS harmoniseren is een uitdaging waarover de Belgische staat zich sinds geruime tijd buigt. HH heeft steeds meer middelen nodig. Daarom is het een goede zaak dat ook andere dan de traditionele (Westerse) actoren aan HH doen. Voor de Belgische staat staan de humanitaire principes en doelstellingen voorop: zolang deze niet worden geschaad, kan de weg naar het doel langs diverse paden lopen. Maar ondanks de hoge druk van urgente crisissen, heeft DGD sinds 2014 ook een strategie voor langetermijnfinanciering uitgerold. Een nieuw opgericht transitiedepartement buigt zich over de root causes van conflicten en hoe deze aan te pakken. Door elementen die duiden op een begin van fragiliteit tijdig te detecteren doet de nieuwe cel ook aan conflictpreventie. Zo wordt de communicatie tussen korte (HH) en lange (OS) termijn verzekerd, maar de objectieven worden gescheiden gehouden. Dit laatste is belangrijk, want humanitaire actoren moeten hun onafhankelijkheid kunnen garanderen om in een volgend conflict hun geloofwaardigheid te behouden.

AZG met Mit Philips

Nexus is nefast voor HH, aldus Mit Philips. AZG trok zich terug uit de voorbereidingsgroep van de eerste Wereldtop voor Humanitaire Hulp (Istanbul, 2016), omdat deze een stevige link tussen OS en HH als oplossing naar voren schoof voor het tekort aan middelen en mensen. HH en OS samenbrengen brengt ons van de regen in de drop, vindt AZG. HH moet gebaseerd zijn op objectieve noden van mensen, niet op politieke veranderingsprocessen, de doelstelling van OS. Het eerste doel van HH is levens redden, snel en nu. Dat druist soms in tegen langetermijndoelstellingen. Het nexusdenken is in de praktijk niet realistisch. Stabilisering, veiligheidsagenda’s, counterterrorisme, het stoppen van migratiestromen, statebuilding zijn één voor één politieke agendapunten en dé hoofdreden voor AZG om afstand te houden tussen HH en OS. Een voorbeeld:  de vermenging door de VN van hulp, ontwikkeling en militair ingrijpen, die het principe van neutraliteit onder druk plaatst. Of nog: de toegang tot gezondheidszorg, waartoe OS wil bijdragen via een mutualiteitssysteem en het opbouwen van resilience. Een nobel doel, dat echter niet mag gebeuren ten nadele van de crisis die er nu is!

Als een crisis afneemt, neemt OS de financiering over, maar zij investeren onvoldoende middelen. Zo is er de mazelenepidemie in Congo. OS heeft geen fondsen voorzien voor de nazorg. HH en OS zijn geen communicerende vaten en onze principes moeten onschendbaar blijven. Want wat overweegt? Effectiviteit en impact of compromisbereidheid om ook andere objectieven in je werking te kunnen inbouwen? Bepaalde structurele hulp wordt aangewend voor politieke doelen. Zo zorgt men er bijvoorbeeld voor dat mensen niet uit hun land vertrekken om het vluchtelingenbeleid in Europa te dienen.

Rode Kruis met Jeroen Carrin

Principieel zit Rode Kruis Vlaanderen op dezelfde golflengte als AZG, maar de aanpak verschilt, aldus Carrin. Ze delen grotendeels dezelfde humanitaire principes en de bezorgdheid van AZG over de humanitaire top is ook die van hen, in de eerste plaats omdat humanitaire organisaties accountability wordt aangewreven voor structurele, dus politieke problemen. Toch houdt het Rode Kruis de werelden van HH en OS niet steriel gescheiden. Als ‘hybride’ organisatie levert het Rode Kruis bijstand bij conflicten en natuurrampen, maar ze verzorgen ook een voor- en natraject. Ondanks hun hybride werking is het hoegenaamd niet de bedoeling de kloof tussen HH en OS te dichten. Wel wil het Rode Kruis met aangepaste instrumenten bruggen slaan voor een naadloze overschakeling. Op het terrein moeten we elkaar niet voor de voeten lopen, maar we willen de communicatie wel openhouden, aldus Jeroen Carrin.

Tot slot: lokale actoren inzetten?

Wie zetten we aan het werk in HH en OS? Is het tijd voor een toenemend engagement van lokale structuren, zoals de Afrikaanse Unie?

In dat debat spelen criteria als conformiteit aan de humanitaire principes en garanties voor accountability om de financiële risico’s te beperken een cruciale rol, vindt Peter Van Acker. Bruno Cordier meent dat de term ‘lokaal’ toe is aan een herdefinitie. Als eerste voorwaarde geldt dat de groepen waarmee wordt samengewerkt een discours hanteren dat verenigbaar is met de eigen waarden en principes. Maar daar wringt vaak het schoentje. Niet zelden hebben actoren wiens discours niet in lijn ligt wel de informele, feitelijke autoriteit. Zo genieten geestelijken en strijdkrachten vaak meer gezag dan plaatselijke ngo’s, die veelal gezien worden als onderaannemers van de agenda van landen.

Een oud debat, een actueel debat, een eeuwig debat? Zolang de communicatie open blijft, wordt vooruitgang geboekt.